home basis model studio flits vakantie avondfotografie contact


De juiste belichting, tips and tricks.


Een interessant onderwerp en een mooie compositie zijn nog geen garantie voor de perfecte foto. De juiste belichting is erg belangrijk voor het eindresultaat. Bepaal wat het onderwerp is en zorg ervoor dat het onderwerp zo goed mogelijk belicht is. Hierdoor is het eindresultaat optimaal.

Je zou kunnen zeggen dat de camera een 'belichtingsadvies' geeft, je kan er niet van uitgaan dat dit altijd correct is. Afhankelijk van het onderwerp en contrast in het gehele beeld is het slim om het 'belichtingsadvies' aan te passen met de belichtingscorrect knop. Dit is vooral belangrijk als je in een halfautomaat stand fotografeert. (S/Tv of A/Av of P)

Bij het vastleggen van lichte en donkere delen van een foto komt het dynamisch bereik van de camerasensor om de hoek kijken. Het dynamische bereik is het verschil tussen de lichtste delen en de schaduwen in een foto. Een digitale camera kan over het algemeen 7 F-stops (stappen naar links of rechts op de lichtmeter, elke stap wordt een ’stop’ genoemd) contrastverschil aan. In de ‘echte’ wereld is het verschil tussen de lichtste en donkerste delen vrijwel altijd maximaal 10 F-stops, je camera mist dus nogal wat detail als je op pad gaat.
Dit betekent dat er bij het bepalen van de juiste belichting een keuze moet worden gemaakt. Door het beperkte dynamische bereik worden schaduwen sneller zwart weergeven op de foto, lichte delen worden sneller wit weergegeven. Helemaal wit betekent dat nog lichtere delen van de scène niet meer zichtbaar zijn, hetzelfde geldt voor de donkere delen. Die zwarte fiets in de schaduw zal op de foto niet te zien zijn als je er niet specifiek je belichting op instelt.
Met behulp van de lichtmeter op de camera kun je de belichting instellen op die delen waarvan je het belangrijk vindt dat er voldoende detail zichtbaar is, waarmee je ook expliciet een keuze maakt om bepaalde details weg te laten. Je kunt niet altijd 100% vertrouwen op de lichtmeter, maar je kunt je succesratio verbeteren door de juiste meetmethode te kiezen voor de omstandigheden.

18% Grijs

Belangrijk om te bedenken bij dit verhaal is dat wat de camera als een normale belichting ziet en wat volgens de fotograaf de juiste/correcte belichting is niet gelijk hoeft te zijn.
De gemiddelde helderheid van een fotografisch onderwerp is middengrijs. 18% van het licht dat op het onderwerp valt wordt gereflecteerd naar de camera. De lichtmeter van de camera is hierop ingesteld, het middelste streepje meet een neutrale 18% grijs belichting. Over het algemeen krijg je hierdoor foto’s die redelijk wat detail laten zien in de donkere delen en ook redelijk wat detail laten zien in de lichtere delen van de foto (afhankelijk van je onderwerp en het aanwezige contrast).
Maar hierdoor loop je ook het risico dat de mooie kleuren (bijvoorbeeld bij een zonsondergang) wat onderdrukt worden, omdat de camera de neiging heeft een donkere scène lichter te maken, de zwarte vlakken neigen meer naar grijs. Omgekeerd heeft de camera ook de neiging een lichtere scène (bijvoorbeeld bij sneeuwval) juist donkerder te maken waardoor je grijze sneeuw in beeld krijgt.
Camera’s hebben een interne database met een grote hoeveelheid veel voorkomende belichtingssituaties, maar in deze extreme gevallen komt het er meestal toch op neer dat de fotograaf een keuze voor onder- of overbelichting moet maken. Dit kan door het vergroten of verkleinen van het diafragma of het verhogen of verlagen van de sluitertijd met één tot twee stops.
Wat de camera meet om tot 18% grijs te komen wordt bepaald door de gekozen stand op de camera. De camera kan namelijk naar de gehele scène kijken (meervelden/matrix meting), naar een gedeelte van de scène met de voorkeur voor het midden (centrumgerichte meting) en alleen naar een heel specifiek deel (spot meting). De verschillende meetmethoden zijn geschikt voor verschillende omstandigheden, mede afhankelijk van de belichting die je wilt bereiken.
In de volautomatische stand heb je niet de mogelijkheid de meetmethode te wijzigen, je zult dus volledig handmatig of in één van de semi-automatische (prioriteitsvoorkeur) standen moeten fotograferen om optimaal gebruik te maken van de mogelijkheden.

Meervelden meting

In deze stand overweegt de camera alles binnen het beeld en probeert hier een zo goed mogelijke gemiddelde belichting bij te zoeken. Het beeld is opgebouwd in zones, de camera kijkt onder andere naar de positie van het object, de helderheid, achtergrond, richting van het licht, etc. De meeste spiegelreflexcamera’s hebben veel zones waarop dit wordt beoordeeld.
Hedendaagse camera’s meten niet simpelweg de gemiddelde belichting in de verschillende zones van het beeld, maar vergelijken die ook met een set van opgenomen situaties. Hiermee probeert de ingebouwde computer een zo goed mogelijke belichting te kiezen.
Als bijvoorbeeld een groot deel van de bovenste vlakken veel lichter is ten opzichte van het onderste deel, dan zal de camera herkennen dat het om een landschap gaat en al gedeeltelijk proberen te compenseren hiervoor. Als je een portret tegen een donkere achtergrond probeert te fotograferen, dan zal de camera de situatie herkennen en proberen niet voor de donkere achtergrond te compenseren. Bedenk wel dat de camera de situatie niet altijd goed zal inschatten, vooral in tegenlicht of hoog contrast omstandigheden.
Nadeel van deze methode is dat de camera niet per se weet wat het oog ziet en precies wil vastleggen, het is een interpretatie van de scène, op basis van een grote set voorbeelden, die goed of verkeerd kan uitvallen. Het is voor de fotograaf minder makkelijk te voorspellen hoe de belichting uit zal vallen, het is niet bekend waarop de camera zijn keuze baseert. In het merendeel van de gevallen zal dit echter goed uitvallen, het is de standaard instelling van de meeste camera’s.

Centrumgerichte meting

De centrumgerichte meting kijkt ook naar het gehele beeld, maar legt de nadruk op het midden, deze telt voor 60-80% mee. Het zit daarmee tussen de meervelden en spot meting in. Ook hier worden metingen gedaan in verschillende zones, maar de zones in het midden tellen zwaarder mee in de algehele berekening. De camera past minder automatische correcties toe, waardoor je wel zelf meer rekening moet houden met hoe een scène onder- of overbelicht moet worden om het beste resultaat te krijgen.
Deze methode is goed geschikt voor spontane foto’s, documentaire, straatfotografie, etc. Met spot meting kun je per ongeluk op een donker of een fel verlicht deel meten waardoor je eindresultaat er niet goed uit komt. Het helemaal over laten aan de computer zoals bij matrix meting werkt soms ook niet goed, zeker als je maar een enkele kans hebt iets vast te leggen en wilt kunnen rekenen op een voorspelbaar resultaat.
Vaak kies ik voor de meervelden stand, in de overgrote meerderheid van de gevallen schat mijn camera de situatie goed in, in gevallen dat het tegenvalt en ik de tijd heb probeer ik een centrumgerichte meting uit.

Spot Meting

Deze meetmethode komt het dichtste bij de losse lichtmeters waar je vooral studio fotografen veel mee zag lopen. Spot meting stelt de fotograaf in staat heel accuraat de belichting te bepalen, waar het eindresultaat bij andere meetmethodes soms minder goed te voorspellen is.
Met spot meting wordt 2,5-3% van het licht in de scène gemeten (sommige camera’s hebben een groter oppervlak, dit gaat dan eigenlijk al meer naar centrumgerichte meting), precies in het midden van de sensor (hoewel je sommige camera’s ook zo kunt instellen dat ze op het geselecteerde autofocus punt meten). Hiermee kun je heel precies de juiste belichting bepalen voor een specifiek punt in de scène.
Deze meetmethode wordt echter vaak lastig gevonden, omdat deze meer kennis van de fotograaf vereist over hoe de camera het licht in de scène meet. Het vereist een oog voor het zien van lichtnuances in een scène.
Spot meting helpt vooral bij moeilijke belichtingen, zoals scènes met een hoog contrast en sterke variatie in helderheid. Het idee is dat als een belangrijke toon in de foto correct wordt belicht, dat de lichttonen die volgen dan ook correct belicht zullen zijn. Lang niet alle camera’s beschikken over deze meetmethode, de instap- en beginners camera’s zullen vaak geen spot meting methode hebben. Controleer de handleiding van je camera.

Voor de beste spot meting zoek je naar een belangrijk oppervlak in de foto met een gelijke toon (bijvoorbeeld een voorhoofd in portretfotografie) en bepaal je wat de normale belichting is (wat de camera denkt dat een normale belichting is, maar eigenlijk zoekt deze naar 18% grijs). Aan de hand van deze meting moet de fotograaf interpreteren of dit inderdaad de juiste belichting is of dat er over- of onderbelichting nodig is. Doe de spotmeting op een heel licht deel en de foto wordt in zijn geheel donkerder, doe de spotmeting op een donker deel en de foto wordt in zijn geheel lichter.
Probeer het maar eens met een wit en een zwart papiertje, beide zullen naar grijs belicht worden in dezelfde lichtomstandigheden.

De spot meting stand vereist redelijk wat kennis van hoe de lichtmeter op de camera werkt om een juiste belichting te krijgen die bij jouw visie past. Belangrijk is dat je de tijd hebt om de belichting in te stellen, deze methode vereist meer werk, in snel veranderende lichtomstandigheden is dit niet de ideale methode. Tijd investeren in het leren kennen van de spot meting stand is echter de moeite waard, spot meting stelt je in staat om preciezer de belichting te bepalen. Gelukkig kun je op een digitale camera snel het resultaat zien en met behulp van het histogram bijsturen. In veruit de meeste gevallen zal de spot meting stand echter niet de aangewezen meetmethodiek zijn.
Bij tegenlicht ontstaat er al vrij snel een silhouet, het omgevingslicht is veel helderder dan het licht dat nog op het onderwerp valt waardoor de camera geen doortekening (detail) in de donkere delen kan registreren. Door de spot meting stand in te stellen kun je er toch voor zorgen dat het onderwerp correct wordt belicht. Richt de camera direct op je onderwerp, bij voorkeur op iets wat neutraal belicht zou moeten zijn zoals iemand’s voorhoofd, en druk de sluiterknop half in om de belichting van dat deel te meten.

Zorg er vervolgens voor dat het lijntje op de lichtmeter in het midden komt te staan. De camera heeft nu bepaald dat dat deel van de foto middengrijs moet worden. Zet de belichting vast als je niet in de handmatige (M) stand fotografeert. Vervolgens maak je de compositie en druk je af. Als het goed is wordt je onderwerp nu goed belicht en in de omgeving verdwijnt het detail in wit. Is het beeld nog niet helemaal naar wens (te donker onderwerp), dan moet je waarschijnlijk nog extra overbelichten.

Conclusie

Het grote voordeel van een digitale camera is dat je direct na de opname de belichting van de opname kan controleren.
Als bij controle van de foto de belichting niet goed blijkt te zijn, is het slim om een nieuwe foto te maken met aangepaste en betere belichting. Eventuele belichtingsfouten zijn aan te passen met de belichtingscompensatie.
Het histogram en de overbelichtingindicatie helpen bij het beoordelen van de belichting. Zorg ervoor dat je onderwerp goed belicht is, de overbelichtingindicatie mag niet te zien zijn/knipperen in het hoofdonderwerp.

Als je in RAW formaat fotografeert kun je achteraf in een foto bewerkingsprogramma de belichting vaak nog aanpassen, maar probeer zo veel mogelijk al bij de opname goed te belichten. Hierdoor is de uiteindelijke kwaliteit beter.

Gebruik van de zonnekap

 

onderwater Rob specials wandeling reproductie links cursus cadeau fotografiedag